Mijn carrière als hoerenloper van toen tot nu.....

DriverT

Ervaringsdeskundige
21 apr 2015
513
324
De intrede (1993)

Mijn carrière begon niet met een sollicitatie, maar met een telefoontje van mijn vader. Op 23-jarige leeftijd werd ik, via de onvermijdelijke weg van de Belgische politieke benoemingen, "gedumpt" in het oude douanekantoor op het Antwerpse Eilandje. Het was het begin van de jaren 90, een tijd waarin de werkethiek bij de overheid nog een rekbaar begrip was en de klok vooral diende om de tijd tot de middagpauze te meten.
Ik kwam terecht onder de hoede van een bureauchef die de term 'uitgeblust' tot een kunstvorm had verheven. Hij was een overlevende van het systeem, een man die de dossiers liet stoffen maar de stadsgids van de ondeugd uit zijn hoofd kende. Hij was wat we in Antwerpen een "geilen toeker" noemden; zijn passie lag niet bij de administratie, maar bij het leven dat zich buiten de kantoormuren afspeelde.

De middagpauze was ons heiligdom. Terwijl de rest van de stad dacht dat we over de taxatie plannen gebogen zaten, wandelden wij richting de Schipperskwartier. In die tijd strekte het glazen kwartier zich nog onvermoeid uit van het Bonapartedok tot aan het Vleeshuis.
Grijs, grauw en doordrenkt van de geur van zware tabak, goedkope parfum en de zilte Scheldelucht.
De straten stonden nog vol auto's. Een constante stroom van traag rijdende motoren vormde een ijzeren lint langs de vitrines, waar de neonverlichting zelfs overdag een ongezonde gloed wierp op de kasseien.
Wij waren kind aan huis in de diverse bruine cafeetjes. Onze boterhammen aten we op aan de toog, geflankeerd door havenarbeiders, zeevrouwen en figuren die het daglicht schuwden.

Van echt werken was zelden sprake. De bureauchef had een feilloos instinct voor de "blok". Tegen de tijd dat de rest van Antwerpen zich klaarmaakte voor de namiddagdip, trokken wij de deur achter ons dicht. Al vóór 15:00 uur zat de dag erop. Terwijl de zon traag achter de dokken zakte, lieten wij de grauwe bureaucratie achter ons voor de warmte van de volkscafés, in een Antwerpen dat nog ongepolijst, rauw en eerlijk was.

We waren geen ambtenaren, we waren toeristen in een schaduwwereld die langzaam verdween

Ondanks de vroege stopzetting van de werkzaamheden, hield de chef vast aan zijn uiterlijke schijn. Hij was een man van onvermoeibare rituelen. Klokslag half zes, na de officieuze afsluiting van zijn "zware" dag, liep hij met een stalen gezicht naar de halte.
Daar stapte hij op bus 28. Terwijl de bus de Italiëlei achter zich liet transformeerde hij. Hij liet de wereld van de vitrines en de middagbiertjes achter zich voor de absolute rust van de huiselijke sfeer. Thuis in Merksem stond zijn vrouwtje steevast klaar met de soep. Voor haar was hij de hardwerkende ambtenaar die net een lange dag op kantoor had overleefd; voor mij was hij de man die me leerde dat de beste zaken tussen het Bonapartedok en de toog werden gedaan.

Maar mijn chef was geen man van louter kijken. De term "geilen toeker" was niet uit de lucht gegrepen. Voor hem was de middagpauze geen rustmoment, maar een jachtuur. Hij had een zeer specifieke en uitgesproken voorkeur: hij was een fervent aanbidder van de Rubensachtige negerinnen die in die tijd het straatbeeld nabij het Vleeshuis domineerden.
Terwijl ik als 21-jarige groentje mijn ogen uitkeek, ging hij over tot de actie. Met de zelfverzekerdheid van een man die wist dat de staat zijn loon toch wel betaalde, verdween hij regelmatig achter de gordijnen. Het was een publiek geheim; de bureauchef van de overheid die zijn administratieve driften inruilde voor de weelderige vormen van de dames van lichte zeden.

MAAR WIE BIJ DE HOND SLAAPT ECT…..

(wordt vervolgd…..)
 

Realistic

Toogplakker
9 jul 2024
75
49
De intrede (1993)

Mijn carrière begon niet met een sollicitatie, maar met een telefoontje van mijn vader. Op 23-jarige leeftijd werd ik, via de onvermijdelijke weg van de Belgische politieke benoemingen, "gedumpt" in het oude douanekantoor op het Antwerpse Eilandje. Het was het begin van de jaren 90, een tijd waarin de werkethiek bij de overheid nog een rekbaar begrip was en de klok vooral diende om de tijd tot de middagpauze te meten.
Ik kwam terecht onder de hoede van een bureauchef die de term 'uitgeblust' tot een kunstvorm had verheven. Hij was een overlevende van het systeem, een man die de dossiers liet stoffen maar de stadsgids van de ondeugd uit zijn hoofd kende. Hij was wat we in Antwerpen een "geilen toeker" noemden; zijn passie lag niet bij de administratie, maar bij het leven dat zich buiten de kantoormuren afspeelde.

De middagpauze was ons heiligdom. Terwijl de rest van de stad dacht dat we over de taxatie plannen gebogen zaten, wandelden wij richting de Schipperskwartier. In die tijd strekte het glazen kwartier zich nog onvermoeid uit van het Bonapartedok tot aan het Vleeshuis.
Grijs, grauw en doordrenkt van de geur van zware tabak, goedkope parfum en de zilte Scheldelucht.
De straten stonden nog vol auto's. Een constante stroom van traag rijdende motoren vormde een ijzeren lint langs de vitrines, waar de neonverlichting zelfs overdag een ongezonde gloed wierp op de kasseien.
Wij waren kind aan huis in de diverse bruine cafeetjes. Onze boterhammen aten we op aan de toog, geflankeerd door havenarbeiders, zeevrouwen en figuren die het daglicht schuwden.

Van echt werken was zelden sprake. De bureauchef had een feilloos instinct voor de "blok". Tegen de tijd dat de rest van Antwerpen zich klaarmaakte voor de namiddagdip, trokken wij de deur achter ons dicht. Al vóór 15:00 uur zat de dag erop. Terwijl de zon traag achter de dokken zakte, lieten wij de grauwe bureaucratie achter ons voor de warmte van de volkscafés, in een Antwerpen dat nog ongepolijst, rauw en eerlijk was.

We waren geen ambtenaren, we waren toeristen in een schaduwwereld die langzaam verdween

Ondanks de vroege stopzetting van de werkzaamheden, hield de chef vast aan zijn uiterlijke schijn. Hij was een man van onvermoeibare rituelen. Klokslag half zes, na de officieuze afsluiting van zijn "zware" dag, liep hij met een stalen gezicht naar de halte.
Daar stapte hij op bus 28. Terwijl de bus de Italiëlei achter zich liet transformeerde hij. Hij liet de wereld van de vitrines en de middagbiertjes achter zich voor de absolute rust van de huiselijke sfeer. Thuis in Merksem stond zijn vrouwtje steevast klaar met de soep. Voor haar was hij de hardwerkende ambtenaar die net een lange dag op kantoor had overleefd; voor mij was hij de man die me leerde dat de beste zaken tussen het Bonapartedok en de toog werden gedaan.

Maar mijn chef was geen man van louter kijken. De term "geilen toeker" was niet uit de lucht gegrepen. Voor hem was de middagpauze geen rustmoment, maar een jachtuur. Hij had een zeer specifieke en uitgesproken voorkeur: hij was een fervent aanbidder van de Rubensachtige negerinnen die in die tijd het straatbeeld nabij het Vleeshuis domineerden.
Terwijl ik als 21-jarige groentje mijn ogen uitkeek, ging hij over tot de actie. Met de zelfverzekerdheid van een man die wist dat de staat zijn loon toch wel betaalde, verdween hij regelmatig achter de gordijnen. Het was een publiek geheim; de bureauchef van de overheid die zijn administratieve driften inruilde voor de weelderige vormen van de dames van lichte zeden.

MAAR WIE BIJ DE HOND SLAAPT ECT…..

(wordt vervolgd…..)
De douane was inderdaad geen toonbeeld van efficiënt werken. Ik herinner mij dat bij de verhuis van Boma van het Asiadok naar de douaneloods aan de Ahlersbuilding (Noorderlaan 131) de heren en dames die daar nog aanwezig waren op kantoor, tijdens de werkuren fritten en mosselen aan het klaarmaken waren. Zij waren weinig meewerkend om wagens die hinderlijk geparkeerd stonden te laten verplaatsen.
 

bare-addict

Ervaringsdeskundige
14 mei 2018
912
897
De intrede (1993)

Mijn carrière begon niet met een sollicitatie, maar met een telefoontje van mijn vader. Op 23-jarige leeftijd werd ik, via de onvermijdelijke weg van de Belgische politieke benoemingen, "gedumpt" in het oude douanekantoor op het Antwerpse Eilandje. Het was het begin van de jaren 90, een tijd waarin de werkethiek bij de overheid nog een rekbaar begrip was en de klok vooral diende om de tijd tot de middagpauze te meten.
Ik kwam terecht onder de hoede van een bureauchef die de term 'uitgeblust' tot een kunstvorm had verheven. Hij was een overlevende van het systeem, een man die de dossiers liet stoffen maar de stadsgids van de ondeugd uit zijn hoofd kende. Hij was wat we in Antwerpen een "geilen toeker" noemden; zijn passie lag niet bij de administratie, maar bij het leven dat zich buiten de kantoormuren afspeelde.

De middagpauze was ons heiligdom. Terwijl de rest van de stad dacht dat we over de taxatie plannen gebogen zaten, wandelden wij richting de Schipperskwartier. In die tijd strekte het glazen kwartier zich nog onvermoeid uit van het Bonapartedok tot aan het Vleeshuis.
Grijs, grauw en doordrenkt van de geur van zware tabak, goedkope parfum en de zilte Scheldelucht.
De straten stonden nog vol auto's. Een constante stroom van traag rijdende motoren vormde een ijzeren lint langs de vitrines, waar de neonverlichting zelfs overdag een ongezonde gloed wierp op de kasseien.
Wij waren kind aan huis in de diverse bruine cafeetjes. Onze boterhammen aten we op aan de toog, geflankeerd door havenarbeiders, zeevrouwen en figuren die het daglicht schuwden.

Van echt werken was zelden sprake. De bureauchef had een feilloos instinct voor de "blok". Tegen de tijd dat de rest van Antwerpen zich klaarmaakte voor de namiddagdip, trokken wij de deur achter ons dicht. Al vóór 15:00 uur zat de dag erop. Terwijl de zon traag achter de dokken zakte, lieten wij de grauwe bureaucratie achter ons voor de warmte van de volkscafés, in een Antwerpen dat nog ongepolijst, rauw en eerlijk was.

We waren geen ambtenaren, we waren toeristen in een schaduwwereld die langzaam verdween

Ondanks de vroege stopzetting van de werkzaamheden, hield de chef vast aan zijn uiterlijke schijn. Hij was een man van onvermoeibare rituelen. Klokslag half zes, na de officieuze afsluiting van zijn "zware" dag, liep hij met een stalen gezicht naar de halte.
Daar stapte hij op bus 28. Terwijl de bus de Italiëlei achter zich liet transformeerde hij. Hij liet de wereld van de vitrines en de middagbiertjes achter zich voor de absolute rust van de huiselijke sfeer. Thuis in Merksem stond zijn vrouwtje steevast klaar met de soep. Voor haar was hij de hardwerkende ambtenaar die net een lange dag op kantoor had overleefd; voor mij was hij de man die me leerde dat de beste zaken tussen het Bonapartedok en de toog werden gedaan.

Maar mijn chef was geen man van louter kijken. De term "geilen toeker" was niet uit de lucht gegrepen. Voor hem was de middagpauze geen rustmoment, maar een jachtuur. Hij had een zeer specifieke en uitgesproken voorkeur: hij was een fervent aanbidder van de Rubensachtige negerinnen die in die tijd het straatbeeld nabij het Vleeshuis domineerden.
Terwijl ik als 21-jarige groentje mijn ogen uitkeek, ging hij over tot de actie. Met de zelfverzekerdheid van een man die wist dat de staat zijn loon toch wel betaalde, verdween hij regelmatig achter de gordijnen. Het was een publiek geheim; de bureauchef van de overheid die zijn administratieve driften inruilde voor de weelderige vormen van de dames van lichte zeden.

MAAR WIE BIJ DE HOND SLAAPT ECT…..

(wordt vervolgd…..)
Zalig, wat een tijden toen. Had ik maar zoveel geluk. Solliciteren neemt de helft van mijn leven in beslag🥹
 
Terug
Naar boven